In elke zaal loopt iemand rond die zwaarder tilt dan de rest. Meestal weet iedereen wie dat is, ook al is er nooit iets over gezegd. En bijna iedereen legt zichzelf op enig moment naast die persoon, al is het maar terloops, tussen twee sets door. Dat is een menselijke reflex en er is niets mis mee. Het wordt pas een probleem wanneer die vergelijking gaat bepalen wat je op de stang legt.
Wat er in zo’n vergelijking wegvalt, is vrijwel alles wat het verschil verklaart. Trainingsjaren, om te beginnen. Iemand die acht jaar traint tegen iemand die acht maanden traint is geen vergelijking maar een tijdlijn waarin je op twee verschillende punten kijkt. Daarnaast speelt lichaamsbouw een rol die groter is dan mensen zich realiseren. De lengte van je bovenbeen ten opzichte van je romp bepaalt in belangrijke mate hoe een squat er bij jou uitziet en hoeveel je erbij kwijt bent aan hefboomwerking. Bij bankdrukken maakt de lengte van je bovenarmen het verschil tussen een korte en een lange baan waarover je hetzelfde gewicht moet verplaatsen. Twee mensen met precies evenveel spierkracht kunnen bij dezelfde oefening tientallen kilo’s uit elkaar liggen zonder dat er iets anders aan de hand is dan botlengte.
Dan is er nog de context die je niet ziet. Je weet niet of die persoon vandaag zijn zwaarste set van de maand doet of een rustige dag heeft. Je weet niet hoe hij slaapt, of hij een fysiek zwaar beroep heeft, in welke week van zijn programma hij zit, of hij herstellende is van iets. Je ziet drie minuten van een week die uit honderdachtenzestig uur bestaat, en je trekt daar een conclusie uit over jezelf. Als je het zo opschrijft, klinkt het meteen onzinnig, en toch doet vrijwel iedereen het.
Wat de vergelijking met je doet in de set zelf
Het vervelende is niet het gevoel, het is het gedrag dat erop volgt. Je legt er een schijf bij die er nog niet hoorde. Je haalt de herhaling wel, maar met een techniek die anders is dan bij je vorige set: je rug rondt iets, je heup schiet eerder omhoog, je gaat minder diep. En omdat de herhaling telt, schrijf je hem op. De week erna begin je op dat getal, dat eigenlijk nooit eerlijk verdiend was, en zo bouw je een reeks op die niet op je werkelijke belastbaarheid staat maar op een moment van vergelijking.
Precies daarom vind ik het inschatten van hoeveel herhalingen je nog over hebt zo waardevol. Niet omdat het een exacte wetenschap is, maar omdat het je dwingt om naar de set zelf te kijken in plaats van naar de zaal. Hoe die schaal werkt staat beschreven in het stuk over herhalingen in reserve, en het aardige eraan is dat het antwoord altijd binnen jouw eigen set ligt. Iemand anders kan er niets aan afdoen of toevoegen.
Er is nog een tweede laag, en die zit niet in de zaal maar op je telefoon. De filmpjes die je voorbij ziet komen zijn per definitie de gelukte pogingen. Niemand zet de set online die halverwege strandde, en niemand vermeldt hoeveel jaar en hoeveel mislukte blokken eraan voorafgingen. Wat je ziet is de bovenkant van een verdeling, gepresenteerd als het gemiddelde. Dat vertekent je beeld van wat normaal is veel sterker dan de sterkste man in jouw zaal, alleen al door de hoeveelheid.
De vorm van vergelijken die wel iets oplevert
Ik wil niet doen alsof je in een zaal met oogkleppen op moet lopen. Er is een manier van kijken naar anderen die je verder helpt, en die gaat niet over gewicht maar over uitvoering. Kijk naar hoe iemand zich opstelt voordat hij begint. Kijk naar hoeveel rust hij neemt en hoe rustig hij ademt tussen sets. Kijk naar hoe consequent zijn eerste en zijn laatste herhaling er hetzelfde uitzien. Dat zijn dingen die je kunt overnemen zonder dat lichaamsbouw of trainingsjaren ertussen zitten, en het zijn precies de dingen die de meeste mensen over het hoofd zien omdat ze op de schijven letten.
De enige tegenstander die op de lange termijn iets zegt, is je eigen logboek van drie maanden geleden. Dat is een eerlijke vergelijking, want alle variabelen die ik hierboven noemde zijn dan gelijk: dezelfde botlengtes, dezelfde beroepsbelasting, dezelfde persoon. Als dat getal omhoog gaat, gaat het goed, ongeacht wat er verder in de zaal gebeurt. En als het een periode niet omhoog gaat, ligt de oorzaak in jouw programma, slaap of herstel, en niet in het feit dat iemand anders sterker is.
Dat betekent overigens niet dat elke periode omhoog moet lopen. Er zitten blokken tussen waarin er weinig beweegt, en dat hoort erbij. Wat je daarvan kunt leren, en waarom een vastgelopen periode meer over je aanpak zegt dan een goede maand, staat uitgewerkt in het artikel over wat tegenslag je leert over jezelf.
Mijn eigen ervaring is dat het pas echt kantelde toen ik ophield te trainen met een half oog op de rest van de zaal. Niet uit een of ander verheven principe, maar omdat ik merkte dat mijn beste blokken de blokken waren waarin ik het saaist trainde: hetzelfde programma, dezelfde oefeningen, kleine stapjes, en geen enkele set die ik achteraf niet kon verantwoorden. In die periodes viel me op hoe weinig ik nog wist van wat er om me heen gebeurde. Dat is geen toeval. Aandacht is beperkt, en wat je aan de zaal geeft, geef je niet aan je eigen uitvoering. Over hoezeer die aandachtskant het werk bepaalt gaat het stuk over mentale kracht naast fysieke training.
Nog één ding, en dat gaat verder dan gewichten. De vergelijking in een sportschool gaat vaak ook over hoe mensen eruitzien, en daar geldt alles wat hierboven staat in versterkte mate: je ziet één moment, zonder context, van iemand met een andere bouw en een andere geschiedenis. Merk je dat zulke vergelijkingen je stemming sturen, dat je gaat trainen of eten uit onvrede in plaats van uit interesse, of dat het je dagelijks bezighoudt, bespreek dat dan met je huisarts. Dat is geen overdreven stap, en het is een stuk zinniger dan er nog een trainingsdag tegenaan gooien.





